Archief van
Auteur: dessie

Oorsprong van het Accessoire

Oorsprong van het Accessoire

Oorsprong van het Accessoire

Tijdens een strandwandeling buigt iedereen zich op een gegeven moment ergens langs de vloedlijn, pakt een opvallend mooi schelpje op, bekijkt het en stop het in een zak of tas.
Als je het daar maanden later terugvindt is het niet eenvoudig het zomaar weer weg te gooien, want je hebt het al zo lang.
Je kunt het op een plankje in de wc of in een keukenla leggen, je kunt ook besluiten het terug te stoppen in je zak.
Het is iets geworden.

Ketting

Soms maakt iemand er een ketting van, waarvoor dan een bijpassende parel plus gouden kettinkje moet worden gekocht.
Zo wordt de schelp van een dingetje een accessoire.
Ook na een boswandeling is het niet eenvoudig thuis te komen zonder dennenappel of kastanje in jas- of broekzak.
Zo leveren bergwandelingen steentjes op en stadswandelingen prulletjes die op een markt of in een ‘leuk winkeltje’ zijn aangeschaft.
Wat is dit voor drang?

 

 

 

 

Antwoord op die vraag geeft Redmond O’Hanlon in zijn reisverslag Congo (1996).
Aan het slot daarvan vertelt de Engelse schrijver hoe zijn Congolese reisgenoot Manou van ene doctor Lary heeft gehoord dat O’Hanlon thuis een kamertje heeft ‘stikvol belachelijke onzin’.

Doctor Lary zijn gezegde

Doctor Lary had gezegd: ‘Oude boeken, oude schilderijen, dat is prima, maar, Manou, je zult me niet geloven, hij heeft daar ook lege ballpoints en oude laarzen, en de vieze mottige vachten van vossen en stukjes konijn (dat zijn van die harige beestjes)
en een opgezette wezel, die lijkt op een civetkat of op een mangoest, en echt heel verschrikkelijke opgezette vogels, je kunt niet meer zien wat voor vogels het zijn, en vogeleieren, en zakken met vachten, en het allerergste, Manou, er is ook een verbrande voet, de verbrande voet van een vriend van hem, en Manou, die zit in een glazen pot waar koffie in heeft gezeten!’
Waarop Manou antwoordde: ‘Doctor Lary! Dat wist ik!
Onze Redmond, dat is een tovenaar! Een tovenaar!
Hij heeft een huisje voor geesten!
Dat kamertje, doctor Lary, dat is een fetisj huisje: O’Hanlon ontkent hierna dat zijn verzameldrift ook maar iets met Afrikaans bijgeloof te maken heeft en bezweert 02.
Dat het louter om geheugensteuntjes gaat, maar hij voegt daar wel aan toe dat die dingen hem in contact brengen met zijn ware zelf, zijn ‘diepe zelf”, ‘Precies’, zegt Manou, ‘dat is het! Het is waar! De dingen! De voorouders! Een fetisjhuisje!’
Het oprapen en meenemen van een dingetje, of het nu een schelp of een lege ballpoint is, tilt het object uit de alledaagse sfeer en plaatst het in een andere, mythische sfeer waarin alles is geladen, niet zozeer met zin als wel met werkelijkheid.
Het object krijgt een symbolische lading die de bezitter ervan in contact houdt met diens ‘diepe zelf’, met dat wat echt is aan hemzelf en niet alleen maar buitenkant of culturele code.
Bezitter is misschien niet het goede woord, het is eerder of het object ons heeft uitgekozen om het te vinden en te bewaren.yourfashionavenue
Wij beschermen het ding zoals het ding ons beschermt.
Wij zijn de uitverkorenen van het object, dat ons buiten de toevalligheden van alledag plaatst in een orde waarin wij net zo’n absolute waarde krijgen als het ding of de fetisj, zoals Manou het duidde.
Ernst Jünger, de Duitse schrijver, noemde de sfeer waarin het toeval is opgeheven en alles met een niet te duiden betekenis geladen is, de ‘Schicksalszeit’, de tijd van het noodlot.

 

 

 

 

Verlangen naar accessoires in het begin

In An der Zeitmauer (1959) stelt hij dat het menselijk verlangen deel te zijn van zo’n Schicksalszeit de verklaring vormt voor het bizarre gegeven dat in onze hoogindustriele en rationele wereLd nog altijd dag in dag uit horoscopen in de krant staan.
Niet dat we erin geloven, maar we verlangen er wel naar dat ze waar zouden kunnen zijn en dat niet alles zomaar gebeurt.
Zo hopen we ook dat de dingen om ons heen niet dood en stom zijn, maar geïnteresseerd in ons bestaan en verbonden met ons lot.
Dit verlangen en hopen gebeurt op een onbewust niveau in ons, ergens ter hoogte van de instincten: ons diepe zelf, dat onder lagen cultuur en beschaving nog even animistisch is als in verre voortijden.
De oorsprong van het accessoire is dus het dingetje dat we toevallig vinden en vanaf dat moment bij ons houden.
Na een jaar een vriendschapsbandje doorsnijden en weggooien omdat het zo vies is geworden, ‘dat kan gewoon niet’.
En als het vanzelf doorscheurt en je raakt het kwijt, is dat hoogst onheilspellend.
Sommige kettingen of oorbellen draag je niet meer omdat je iets naars hebt beleefd toen je ze aan had.
Voor speciale gelegenheden neem je speciale accessoires mee, die al eerder hun heilzame invloed hebben laten gelden.
Misschien krijgen accessoires hun mythische lading omdat ze altijd op en aan het lichaam worden gedragen, net als amuletten.
Belangrijk is wel dat de dingen lange tijd worden meegedragen, dag in dag uit.

 

Emotionele waarde aan accessoires

Een mobieltje kopen en binnen een week kwijtraken is niet erg – na een jaar wel, en niet alleen omdat je dan al je telefoonnummers kwijt bent.
Een ring van iemand krijgen en die meteen verliezen – ‘het heeft zo moeten zijn’.
Maar diezelfde ring na tien jaar huwelijk zoek maken.
Rouwenden dragen vaak nog jarenlang iets bij zich wat van de gestorvene afkomstig is en het proces van ‘loslaten’ komt in een cruciale nieuwe fase als dat voorwerp bewust wordt weggedaan en afgestoten.
Een doorzeurende mislukte liefde kan worden genezen door het horloge dat je van hem hebt gekregen onverhoeds in een rivier te gooien.
Accessoires zijn typische verzamelobjecten, alsof ze niet alleen hun vinders maar ook elkaar aanlokken.
Sokken of vesten verzamelen slaat nergens op, maar er zijn legio voorbeelden van immense verzamelingen schoenen, horloges, horlogebandjes, hoeden, dassen, elektronische gadgets.
Accessoires zijn dingen die macht over je krijgen, of die je macht schenken over je leven vanuit een onbedwingbaar en onmogelijk af te schudden bijgeloof.
Voor welk praktisch doel accessoires ook worden gebruikt, ze tenderen er altijd naar ‘een deel van je hersens’ te worden, zoals Redmond O’Hanlon het uitdrukt.
Deze mythische waarde is cruciaal; wat accessoires kosten doet er veel minder toe.
In de Schicksalszeit wordt niet met geld betaald.

Modeontwerpers en hun mode

Modeontwerpers en hun mode

Verschillende mode types

 

Obosolecentie

‘La mode c’est quit se démode’, oftewel: mode is datgene wat uit de mode raakt.
Sommige elementen van een kledingstuk worden bewus toegevoegd omwille van de snelle veroudering, net als een psotstempel drukken ze een datum op het model.
De laatste jaren is het vooral de kleur die luid en duidelijk een bepaald seizoem aamduidt.
Klassieke kleuren gaan immers veel te lang mee in deze tijd van steeds betere stoffen.
Weinig ontwerpers durven zich tegen deze trend te verzetten. Kleding verkopen die nooit uit de mode raakt staat voor een confectiefabrikant gelijk aan hara-kiri.

Oilily

Nederland kinderkledingmerk.
Twintig jaar gelden begonnen Marieke en Willem Olsterhoorn voor zichzelf.
Marieke startte met het ontwerpen van kinderkleding, omdat ze voor haar eigen kinderen geen leuke kleren kon vinden.
Inmiddels in Oilily uitgegroeid tot een wereldconcern met export naar 35 landen en een omzet van 140 miljoen gulden.
Behalve kleding brengt Oilily ook schoenen, brillen en zelfs kinderparfum.
Doordat ze een fanclub oprichtten voor hun eigen merk komen er elke dag zestig brieven van kinderen binnen op het hoofdkantoor van Alkmaar.
Oilily ontving in 1989 de belangrijkste Nederlandse onderschijding, de Grand Seigneur.

Oldfield Bruce

Britse ontwerper (London 1950).

Studeert aan het Ravensbourne college en aan het St. Martin’s College of Arts.
Vestigt zich in 1973 als free-lance designer te Londen, werkt voornamelijk voor Henri Bendel (VS) en een tijdlang voor Saint Laurent (Parijs, 1974).
In 1975 geeft hij zijn eerste eigen show in London.
Naast een read-to-wear lijn, ontwerpt hij ook couturekleding voor een aantal privé-klanten; meestal zijn het Britse princessen, filmsterren en dergelijke.
Zijn beroemste klant is de princes van Wales, voor wie hij nauwsluitende, vampachtige jurken bedenkt, die schril afsteken tegen de wijde, romantische raffeljurken van de Emmanuels.

Olivier André

Franse ontwerper (Toulouse 1932).

Studeert aan de Ecole des Beaux Arts te Parijs en treedt in 1955 in dienst bij Pierre Cardin, voor wie hij de herenmode ontwerpt.
Dat doet hij in 1986 nog steeds, maar Olivier is vooral bekend om zijn avondjurken.
De prachtige, vloeiende draperingen van deze Cardin-creaties zijn in feite het werk van Olivier.
Cardin vergeet niet hem ook te betrekken in het applaus na elke show, en heeft nooit geprobeert met Oliviers veren te tooien.
Olivier heeft ook een eigen herenmodezaak in New York: André Olivier Inc.

Oscar

De eerste mode-Oscar wordt op 23 oktober 1985 toegekend en overhandigd in de Parijse opera.
De jury van 200 vooraanstaande personen staat onder voorzitterschap van onder andere Edmonde Charles-Roux (schrijver van onder meer verschillende werken over Channel),
advocaat Maurice Rheims, Paloma Picasso, decorateur Andrée Putman, Hélene Rochas en de jounalisten Georges Cravenne en Pierre Salinger.
De eerste winnaar is Azzedine Alaïa.
Alleen de leden van de Chambre Syndicale du Pret-a-Porter des Couturiers et des Créateurs de Mode komen voor deze prijs in aanmerking.
De ceremonie voor de mode-Oscars speelt zich in principe eenmaal om de twee jaar af.
De naam Oscar is afkomstig van de Amerikaanse filmonderscheiding.

Ong Benny

Britse ontwerper (Singapore 1949).

Benny Ong is van chinese afkomst en groeit op in Singapore.
In 1968 gaat hij naar Londen en studeert daar aan de St. Martin’s School of Arts.
In 1974 sticht hij zijn eigen modehuis en begint hij een kleine collectie pret-a-porter te ontwerpen voor de winkelketen House of Frazier.
Benny Ong staat bekend om zijn draagbare stijl, die modern is zonder agressief te zijn en die vooral is terug te vinden in zijn zijden avondjurken.

Ozbek Rifat

Turks-Britse ontwerper (Turkijë 1950).

Komt in 1970 naar Londen en studeert aan de St. Martin’s School.
In 1977 trekt hij naar Milaan en werkt daar met Walter Albini voor Trell.
Daarna keert hij terug naar Londen, waar hij de Monsoon-lijn helpt ontwerpen.
Een zeer veranderlijk een veelzijdig man, het ene seizoen onverbiddelijk klassiek, en het andere seizoen weer vol fantasie en folklore.
Wordt in 1988 in Engeland uitgeroepen tot de beste ontwerper van het jaar.